2 Nephi 28-30: men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg
Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg; want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. (2 Nephi 30:15)
Nephi veronderstelt in deze hoofdstukken dat een afdoende mate van kennis aangaande God de aarde zal vernieuwen, en dat een correct begrip aangaande Jezus Christus het grootse duizendjarig Rijk des Heren zal bewerkstelligen. Volgens Nephi speelt het Boek van Mormon daarbij een centrale rol, omdat God daardoor in de laatste dagen tot ons spreekt op aanvullende wijze: “ten dage dat Ik ertoe overga een wonderbaar werk onder hen te verrichten om mijn verbonden, die Ik met de mensenkinderen heb gesloten, indachtig te zijn, om mijn hand voor de tweede maal uit te strekken om mijn volk, dat van het huis Israëls is, terug te winnen” (2 Nephi 29:1):
en mijn woorden zullen voortsissen tot aan de einden der aarde, tot een standaard voor mijn volk, dat van het huis Israëls is; en omdat mijn woorden zullen voortsissen, zullen velen van de andere volken zeggen: Een Bijbel! Een Bijbel! Wij hebben een Bijbel en er kan niet nog méér Bijbel zijn (2 Nephi 29: 2-3).
O dwaas, die zegt: Een Bijbel, wij hebben een Bijbel, en wij hebben niet méér Bijbel nodig. Hadt gij een Bijbel verkregen indien het niet door de Joden was geweest? Weet gij niet dat er meer natiën zijn dan één? Weet gij niet dat Ik, de Heer, uw God, alle mensen heb geschapen en dat Ik hen gedenk die zich op de eilanden der zee bevinden; en dat Ik heers boven in de hemelen en beneden op de aarde; en dat Ik de mensenkinderen, ja, alle natiën van de aarde, mijn woord breng? (2 Nephi 29: 6-7)
Waarom mort gij omdat gij méér van mijn woord zult ontvangen? Weet gij niet dat het getuigenis van twee natiën voor u getuigt dat Ik God ben, dat Ik de ene natie evenzeer als de andere gedenk? (2 Nephi 29:8)
En Ik doe dat om velen te bewijzen dat Ik dezelfde ben, gisteren, heden en voor eeuwig; en dat Ik mijn woorden spreek naar mijn eigen welbehagen. En omdat Ik één woord heb gesproken, behoeft gij niet te veronderstellen dat Ik er niet nog een kan spreken; want mijn werk is nog niet voleindigd; noch zal het dat zijn vóór het einde van het mensdom. (2 Nephi 29:9)
Welnu, omdat gij een Bijbel hebt, behoeft gij niet te veronderstellen dat die al mijn woorden bevat; evenmin behoeft gij te veronderstellen dat Ik er niet méér heb laten opschrijven. (2 Nephi 29:10)
We mogen ons gelukkig prijzen dat het Boek van Mormon d.m.v. deze passage de mogelijkheid oppert dat het Boek van Mormon – evenals de Bijbel – niet het laatste boek is dat God heeft doen schrijven: “en Ik zal ook spreken tot de andere stammen van het huis Israëls, die Ik heb weggeleid, en zij zullen het opschrijven; en ook zal Ik spreken tot alle natiën der aarde en zij zullen het opschrijven”. God geeft Nephi hiermee het goddelijk concept van interreligieuze theologie:
Ongeacht onze naam, we zij allen aan de Geliefde verbonden – alle sterren, rotsen, bomen, dieren en wezens. God is in ieder van ons aanwezig, en we maken deel uit van de Geest – zoals het goddelijke in alle dingen aanwezig is. God is in alles, in alle dingen, van alle dingen. We zijn allen één, onze verbondenheid is van allesomvattende aard en ze gaat ons voorstellingsvermogen te boven. Deze verbondenheid met het Goddelijke stelt ons in staat mede-scheppers met God te worden, de immer aanwezige bron van al het goede. We zijn allen één, altijd in ontwikkeling, mede-scheppers met de Geest. Er zijn vele paden die naar de ene God leiden, vele namen die naar de ene God van ons allen leiden.
Men zou kunnen stellen dat Heiligen der Laatste Dagen bijzonder goed zijn toegerust om het gesprek aan te gaan met leden van andere geloofstradities, omdat zij verschillende schriftuurlijke standaardwerken – soms met tegenstrijdige boodschappen – met elkaar in overeenstemming moesten brengen vanaf het begin van hun beweging. Onderschat niet de mogelijkheid (i.p.v. de onmogelijkheid) voor Mormonen om hun eigen geloofstradities, de schoonheid van God en Zijn goddelijke waarheid zoals die spreekt uit andere heilige boeken te ontdekken en te integreren. Gordon B. Hinckley verklaarde destijds in zijn befaamde toespraak “Het voortdurend streven naar waarheid”(BYU-Hawaii-1983):
Als leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is het onze zaak en onze verantwoording het gebod tot studie en onderricht te onderhouden. De Here sprak: “put woorden van wijsheid uit de beste boeken; zoekt kennis, ja, door studie en ook door geloof.” (LV 88:118)
Hij maakte vervolgens duidelijk dat onze zoektocht naar waarheid grondig dient te zijn, dat we moeten leren “aangaande dingen zowel in de hemel als op de aarde en onder de aarde; dingen die geweest zijn, dingen die nu zijn, dingen die binnenkort moeten geschieden; dingen die binnenslands zijn, dingen die buitenslands zijn; de oorlogen en de verwikkelingen van de natiën, en de oordelen die op het land rusten; en ook kennis van landen en van koninkrijken” (LV 88:79).
Wat een uitdaging om ons voortdurend richting eeuwigheid te blijven ontwikkelen! Niemand van ons mag veronderstellen dat hij of zij genoeg geleerd heeft. Wanneer de de deur dichtgaat na een bepaalde levensfase, dient de volgende fase zich al weer aan, en moeten we kennis blijven vergaren, een onaflatende zoektocht naar waarheid. Die waarheid moet geestelijke, religieuze en seculaire elementen bevatten. Laten we aldoende in onze zoektocht naar waarheid in ons leven, zoeken naar goede, mooie, en positieve dingen.
Maar waar is al die kennis goed voor als deze niet wordt toegepast? Wetenschappers die veranderingen bestuderen zijn het er over het algemeen over eens dat wanneer mensen informatie ontvangen, zij deze eerst moeten begrijpen alvorens deze tot kennis kan worden; toegepaste kennis moet tot mentaliteitsverandering leiden (Hebt gij die machtige verandering in uw hart ondervonden?), die op haar beurt moet leiden tot gedragsverandering (zoals Jezus uitlegt in 2 Nephi 31:12 “volgt Mij dus en doet de dingen die gij Mij hebt zien doen”). Een dergelijke gedragsverandering stelt echter weinig voor t.a.v. het “groot en wonderbaar werk dat op het punt staat onder de mensenkinderen tevoorschijn te komen” tenzij ze een verandering op het oog heeft van sociale structuren die gerechtigheid bevorderen.
En het zal geschieden dat de Here God met zijn werk onder alle natiën, geslachten, talen en volken begint, om de herstelling van zijn volk op aarde tot stand te brengen. En met gerechtigheid zal de Here God de armen richten, en met billijkheid bestraffen ten behoeve van de ootmoedigen der aarde. (2 Nephi 30:8-9)
Een dergelijke wetenschappelijke synthese wordt gepoogd door Paul Knitter in zijn boek “One Earth Many Religions”, met als subtitel: “Multifaith Dialogue and Global Responsibility” (Knitter 1995). In dit boek vertelt de schrijver over zijn levensweg en ervaringen met “het Andere”, een ontmoeting met het tegengestelde: “het volkomen andere, het onverwachte, het voor onmogelijk gehouden, het schokkende. Over mensen en voorvallen die duidelijk buiten mijn ervaringswereld vielen.” (Knitter 1995:1). Door Knitter wordt onderscheid gemaakt tussen “godsdienstig anders-zijn” en “lijdend anders-zijn”.
De rondreis van Knitter begon met een ontmoeting met het “godsdienstig anders-zijn”, door – als Jezuiet en missionaris – te onderkennen dat andere geloofstradities met wijsheid bekleed waren die hem verrijkte en zelfs versteld deed staan. Met het “lijdend anders-zijn” kwam hij in aanraking door zijn werk en solidariteit voor vluchtelingen en illegale buitenlanders die uit Centraal-Amerika naar de VS emigreerden: een verpletterende ontmoeting. Knitter vertelt ook over zijn ecologische bewustwording, over wat het betekent op een gewonde Moeder Aarde te wonen. Wat betreft Knitter was de “lijdende ander” veel schokkender dan de “godsdienstige ander”.
Knitter laat er geen misverstand over bestaan dat wanneer hij zou zijn gedwongen een keus te maken tussen pluralisme of bevrijding, d.w.z. tussen interreligieuze dialoog of strijd voor sociale rechtvaardigheid, hij dialoog op zou moeten geven en voorrang zou verlenen aan het verzachten van het lijden en de strijd voor gerechtigheid (Knitter 1995:11). Maar gelukkig, zo zegt hij, wijst ervaring met interreligieuze dialoog in Sri Lanka uit dat er zoiets bestaat als als een waarlijk bevrijdende vorm van interreligieuze dialoog met een sociaal karakter.
De dringende vraag voor iedereen die toegewijd is aan interreligieuze dialoog en bevrijdingstheologie is dan: hoe radicale strijd te voeren voor rechtvaardigheid, die altijd controversieel is en in conflict is met onbevangen godsdienstige samenspraak, waar ‘n ieders mening immers moet worden gerespecteerd. Hoe dan in uiteenlopende situaties om te gaan met de tweevoudige verantwoording voor de “religieuze ander” en de ‘lijdende ander”?
(Leirvik, the Power of Faith in Global Politics, 129-142)
Nephi heeft hier een mening over. De mythe ontsluieren rond de godsdienstige-ander is waarschijnlijk minder belangrijk dan voor de rechten op te komen van de lijdende-ander (terwijl deze soms één en dezelfde persoon zou kunnen zijn). De hoofdstukken 28-30 laten zien dat als het gaat om rechtvaardig handelen t.o.v. de armen, we één in radicaal activisme moeten zijn ondanks godsdienstige verschillen. Sociale rechtvaardigheid – en het terugdringen van onderdrukking en onrecht langs sociale breuklijnen – vormt een belangrijke samenbindende factor onder degenen die langs godsdienstige breuklijnen overleggen.
Onze kennis moet worden toegepast. Ons voortdurend zoeken naar waarheid kan niet los worden gezien van een voortdurend zoeken naar gerechtigheid, of m.a.w.: de vestiging van God’s Koninkrijk op Aarde en/of de opbouw van Zion. Wie vrede wil, moet voor gerechtigheid arbeiden.
Ja, en er zullen vele [politieke leiders] zijn die zeggen: Eet, drinkt en weest vrolijk, want morgen sterven wij; en het zal wel met ons zijn. En er zullen ook vele [politieke leiders] zijn die zeggen: Eet, drinkt, en weest vrolijk; vreest nochtans God — Hij zal het bedrijven van een kleine zonde wel rechtvaardigen; ja, liegt wat, maakt van iemand misbruik wegens zijn woorden, graaft een kuil voor uw naaste; daarin steekt geen kwaad; en doet al die dingen, want morgen sterven wij; en mochten wij toch schuldig zijn, dan zal God ons met enkele striemen slaan, en ten slotte zullen wij het heil verkrijgen in het koninkrijk Gods. En het bloed der heiligen zal hen vanuit de aardbodem aanklagen.
Wegens hoogmoed en wegens valse leraren en valse leer zijn hun kerken verdorven geworden, en hun kerken hebben zich verheven; wegens hoogmoed zijn ze opgeblazen. Zij beroven de armen ter wille van hun fraaie heiligdommen [tempels]; zij beroven de armen ter wille van hun fraaie kledij; en zij vervolgen de zachtmoedigen en de eenvoudigen van hart, omdat zij in hun hoogmoed opgeblazen zijn.
Wee hun die de rechtvaardige om een nietigheid terzijde dringen en hetgeen goed is beschimpen en zeggen dat het geen waarde heeft! (2 Nephi 28: 7-8, 10, 12-13, 16)
