2 Nephi 5-8: een plaag voor uw nageslacht
“En ik, Nephi, nam het zwaard van Laban en maakte naar dat voorbeeld vele zwaarden, voor het geval het volk dat nu de Lamanieten werd genoemd, ons zou overvallen en vernietigen; want ik kende hun haat tegen mij en mijn kinderen en degenen die mijn volk werden genoemd”. (2 Nephi 5:14)
“En vervloekt zij het nageslacht van hem die zich met hun nageslacht vermengt, want zij zullen met dezelfde vervloeking worden vervloekt. En de Heer sprak het, en het geschiedde. En wegens hun vervloeking die op hen rustte, werden zij een lui volk, vol list en streken, dat in de wildernis op roofdieren jaagde. En de Here God zeide tot mij: Zij zullen een tuchtroede zijn voor uw nakomelingen, om hen ertoe op te wekken Mij indachtig te zijn; en omdat zij Mij niet indachtig zijn en niet naar mijn woorden luisteren, zullen zij hen zelfs tot vernietiging toe tuchtigen”. (2 Nephi 5:23-25)
Waarom haat men ons? Hebben we dat onszelf na 9 september wel eens afgevraagd?
Op de Internetsite “Beyond Intractability.org” legt Heidi Burgess uit dat het woord ‘buitenstaanders’ betrekking heeft op iedereen die niet tot de eigen groep behoort. De eigen groep omvat de eigen nationaliteit, etnische afkomst, ras, of religie. In conflictsituaties worden degenen die niet tot de eigen groep behoren als minderwaardig beschouwd, en degenen die tot een tegengestelde groep behoren zelfs als slecht beschouwd. De uitdrukking “vijandsbeeld” heeft betrekking op de ‘vijand’ in de tegengestelde groep, de groep die in vele opzichten als slecht wordt beschouwd.
Bij “vijandsdenken” hoort een zondebok. Dikwijls vinden beide partijen dat de andere partij (de tegenstander) de oorzaak van de problemen is; problemen die opgelost zouden kunnen worden als de vijand overwonnen of uitgeschakeld word. De vijand kan bijv. worden gezien als dom, egoistisch, aggressief, vijandig, of uitgesproken slecht. Een dergelijke indruk blijft bestaan, zelfs als het gedrag van de leden van de andere groep niet slechter is dan dat van de leden van de eigen groep. Maar wanneer mensen in een ernstig conflict verwikkeld raken, projecteren zij hun eigen negatieve eigenschappen op de tegenpartij, daarbij hun eigen fouten en gebreken niet onderkennend, maar de nadruk leggend op die van de ander.
In haar extreme vorm ontaardt een dergelijk gedrag in verontmenselijking van de leden van de tegengestelde groep, die dan als minder menselijk worden aangemerkt. Dergelijk gedrag is ondenkbaar als er geen sprake is van een ernstig conflict, maar ontmenselijking wordt een noodzakelijke voorwaarde als men van plan is oorlog met ze te gaan voeren. Psychologisch gezien wordt het moeilijk om zonder een dergelijke ontmenselijking de tegenstander te doden. Het is heel wat eenvoudiger zich met oorlog, volkerenmoord en schending van mensenrechten in te laten als men de overtuiging heeft dat de tegenstander op onze ondergang uit is – en minder menselijk is dan de eigen groep.
Een verschrikkelijk voorbeeld van onmenselijking was de genocide in Ruwanda. Het amerikaanse Vredesinstituut schrijft in haar rapport: “Er was sprake van een georganiseerde, gewelddadige campagne waarbij de Tutsi’s als vijandelijk ongedierte werden beschouwd en de radiozender van Ruwanda alle Hutu’s opriep om Tutsi’s te doden “omdat de massagraven nog maar halfvol waren”. In vier maanden tijd werden naar schatting tussen 500.000 en een miljoen mensen gedood”.
Een vraag: verdedigden de Lamanieten hun land tegen invallen van de Nephieten?
“The Fire still Burning” legt in een commentaar uit: “Het Boek van Mormon zwijgt ten ene male over Laban’s kant van het verhaal. De Nephieten trekken de wildernis in, vestigen zich in het land van Nephi, en opeens verschijnen daar hun vijanden in grote aantallen ten tonele. Let wel: 40 jaar na aankomst in het beloofde land! Ze hadden een donkere huidskleur en leken niet op Laman en Lemuel. Alle vijanden van de Nephieten worden vervolgens “Lamanieten” genoemd, waarschijnlijk omdat de Nephieten aanvallen van hun broederen verwachtten en in de veronderstelling dat er geen andere mensen waren. Deze zgn. “Lamanieten” verdedigden zich dus wel degelijk tegen de Nephitische invallers! Op welke manier Laman deze bevolkingsgroepen leerde kennen doet nauwelijks ter zake; de vijand van mijn vijand is mijn vriend, vooral als die nieuwe vriend kennis van zaken heeft die me kan helpen de vijand te verslaan.”
Over de vijandschap tusssen Nephieten en Lamanieten geeft mormoonse apologie een soortgelijke uitleg als Jakob in zijn toespraak over Jesaja 6-10. Het gaat erom de volgelingen van Nephi een meer genuanceerde kijk te geven op hun zgn. vijanden de Lamanieten. FAIRLDS.org heeft een artikel over de buren van Nephi: “Volken van het Boek van Mormon en Pre-Columbiaanse Bevolkingen”. In dat artikel doet Matthew Roper de mogelijkheid aan de hand dat Laman, Lemuel en de andere “slechterikken” zich wel eens verbonden zouden kunnen hebben met andere – al reeds aanwezige – volken op het amerikaanse vasteland ten tijde van Nephi’s vertrek naar het Land van Nephi, hetgeen de zwarte (vervloekte) huisdkleur verklaarde als gevolg van de gemengde huwelijken met niet-Lehitische volken die het land al bewoonden. Hier volgen wat relevante uittreksels uit dat artikel:
Toen de Nephieten en Lamanieten uiteen gingen, bevond Nephi zich in het gezelschap van zijn eigen gezin, Zoram en Sam en hun gezinnen, zijn jongere broers Jakob en Jozef, en zijn zusters, alsmede “iedereen die met mij mee wilde gaan”. Wie waren degenen die “in de waarschuwingen en openbaringen Gods geloofden”? Het meest voordehandliggende antwoord: anderen mensen die in het land woonden, die niet tot Lehi’s familie behoorden. Van belang is dat Nephi in dit tekstgedeelte voor het eerst melding maakt van het “volk van Nephi” om zijn volgelingen aan te duiden (2 Nephi 5:9), een benaming die suggereert dat het wel eens om een grotere groep zou kunnen gaan dan zijn naaste familieleden.
Het is ook het moment dat de benaming “Lamanieten” voor het eerst opduikt. Nephi legt uit dat hij voorbereidselen treft om zijn volk te verdedigen “voor het geval het volk dat nu de Lamanieten werd genoemd, ons zou overvallen en vernietigen; want ik kende hun haat tegen mij en mijn kinderen en degenen die mijn volk werden genoemd” (2 Nephi 5:14). De demograaf James Smith schrijft: Uit dat laatste tekstgedeelte zouden we kunnen opmaken dat “Lamanieten” een nieuwe benaming is voor het gezin en de volgelingen van Laman, de vijandige broer waarvoor Nephi vluchtte. Weer een andere verklaring zou kunnen zijn dat bevolkingsgroepen die voorheen geen “Lamanieten” werden genoemd, daar nu wel onder gerekend worden i.v.m. hun verbond met Laman.
Na uitgelegd te hebben hoe hij en zijn volk zich afscheidden van Laman, Lemuel, de zonen van Ishmael en hun volk, legt Nephi uit hoe zijn eigen volk zich in het land vestigde, en haalt een profetie des Heren aan: “En vervloekt zij het nageslacht van hem die zich met hun nageslacht vermengt, want zij zullen met dezelfde vervloeking worden vervloekt. En de Heer sprak het, en het geschiedde” (2 Nephi 5:23).
Deze profetie voorspelt toekomstige gemengde huwelijken onder de Lamanieten, maar uit de urgentie van Nephi’s observatie dat “de Heer het sprak, en het geschiedde” kunnen we opmaken dat dit proces al in gang was gezet ten tijde van Nephi’s vertrek of kort daarna. D.w.z. vanaf dat eerste moment had een onbekend volk zich al bij de Lamanieten gevoegd om zich tegen Nephi en zijn volk te verzetten en als hen was geworden, een gebeurtenis die Nephi zag als een vervulling van een profetie des Heren. Merk op dat Nephitische afsplitsingen niet als zodanig worden genoemd tot enkele generaties daarna, dus Nephi’s opmerking over onbekende volken die zich met de Lamanieten d.m.v. huwelijken vermengden, suggereert de aanwezigheid van andere niet-Lehitische volkeren die zich met de Lamanieten verbonden.
Zijn onze vijanden van nature slecht?
Eliezer Yudkowsky in het artikel “Less Wrong” legt uit dat “we veel te snel verband leggen tussen iemands handelingen en iemands persoonlijkheid. We zien iemand tegen een frisdrankenautomaat schoppen en gaan er van uit met een aggressieve persoon te maken te hebben, maar als we zelf tegen de automaat schoppen komt dat omdat we de bus misten, de trein vertraging had, we een slechte dag hadden, en nu ook nog eens die stomme automaat ons geld niet teruggeeft, dat zou toch iedereen in een dergelijke situatie doen?
We kunnen ons eigen handelen zien in het licht van de omstandigheden, als heel normaal in een bepaalde gemoedsrust. Maar als iemand anders tegen de automaat begint te schoppen hebben we geen oog voor zijn gemoedsrust: alles wat we zien is een schoppende beweging om ons onbekende reden, en we concluderen dat we met een van nanture aggressief persoon te maken hebben – anders zou deze immers niet zo maar ineens tegen de automaat beginnen te schoppen.
Om menselijk gedrag te kunnen doorgronden, moeten we ons allereerst realiseren dat ieder mens vindt dat hij of zij zich normaal gedraagt. Het gaat er niet om met welke vreemde afwijking iemand geboren werd als oorzaak voor een bepaald gedrag. Mensen hebben weliswaar karaktereigenschappen, maar het zijn niet allemaal aangeboren afwijkingen die hun zichtbare gedrag veroorzaken. De meeste mensen zien zichzelf als heel normaal van binnen. Zelfs degenen die we haten, die de vreselijkste dingen doen, zijn niet van nature abnormaal. Als we dat gaan begrijpen zullen we ons minder snel laten verrassen door het gedrag van anderen.
“Ja, zij morden tegen mij, zeggende: Onze jongere broeder denkt over ons te heersen; en wij hebben wegens hem vele beproevingen gehad; welnu, laten wij hem doden om niet nog meer te worden gekweld wegens zijn woorden. Want zie, wij willen hem niet als onze heerser hebben, want het komt ons toe, die de oudere broeders zijn, om over dit volk te heersen.” (2 Nephi 5:3)
Het is nu eenmaal zo dat mensen zichzelf over het algemeen niet als boosdoener zien. Iedereen vindt zichzelf de held in het eigen levensverhaal. Dus ook in de levensloop van de vijand zal deze zichzelf niet als slecht ervaren. We zien de vijand misschien als slecht, maar dat heeft niets van doen met de ervaringswereld van die persoon. Als we eenmaal partij hebben gekozen, blijft ons niets anders over dan consequent te zijn in onze aanval op allles wat de tegenpartij in een gunstig daglicht zou kunnen zetten; zo niet, dan zouden we immers als het ware onze eigen vrienden afvallen.
Als de vijand inderdaad van nature slecht zou zijn, zou dat een pluspunt voor ons zijn. Elke reden die “onze kant” kiest, grijpen we dankbaar aan, hoe vergezocht ook, opdat we de vijand aan het front onder druk zetten. We leggen vurige vaderlandsliefde aan den dag waartegen niemand zich durft te verzetten. Voordat je het weet heeft de vijand horentjes, vleugels, vurige adem, en spuit deze venijnig vergif. Aan over de feitelijkheden daarvan te twijfelen is hetzelfde als partij voor de tegenstander kiezen, hoogverraad dus. Want in zo’n geval begrijpen maar weinig mensen dat je niet de vijand maar de waarheid wilt verdedigen.
de woorden van Jesaja over etnische en sociale verscheidenheid
Terug naar het eerder genoemde artikel in FAIRLDS.org “omdat de mogelijkheid bestaat dat meerdere niet-Lehitische volken zich verbonden wisten met zowel Nephieten als Lamanieten, krijgen de woorden die Nephi en Jakob aanhalen uit Jesaja een diepere betekenis.”
Na uitgelegd te hebben dat “wij reeds oorlogen en twisten hadden met” de Lamanieten (2 Nephi 5:34) maakt Nephi melding van de lange rede van zijn broer Jakob (2 Nephi 6:2). Nephi wenst dat Jakob over Jesaja spreekt en met name over de profetien van Jesaja aangaande de relatie tussen het verstrooide Israel en de niet-Joden (2 Nephi 6:4). Jakob vraagt zijn volk om die passages uit Jesaja in hun eigen situatie toe te passen (2 Nephi 6:5) en suggereert dat deze leringen van doen hebben met “dingen die nu zijn, en die zullen komen” (2 Nephi 6:4). Als heiligen der laatste dagen leggen we terecht nadruk op dat laatste maar in welk verband moesten de Nephieten de leringen van Jesaja op zichzelf van toepassing maken?
Zeker, de toespraak van Jakob wijst naar de toekomst, maar door deze op zichzelf toe te passen, zouden de Nephitische toehoorders vanzelfsprekend de overduidelijke parallel herkennen met hun eigen omstandigheden. Als een vertakking van het verstrooide Israel in een nieuw land van belofte wilden ze Zion vestigen, maar werden door hun voormalige broederen gehaat, tegengewerkt en vervolgd. En zelfs wanneer Jakob in deze profetien verwijst naar de laatste dagen, hebben zijn woorden van alles te maken met de mensen van zijn tijd die hun Lamanitische belagers als de “Joden” van Jakob’s profetie beschouwen en de “niet-Joden” als de niet-Lehitische volken die met de Lamanieten samenspanden tegen het volk van Nephi. Maar wanneer Jakob de woorden van Jesaja op de Lehieten toepasselijk maakt, legt hij uit dat niet alle niet-Joden Zion zullen bestrijden en dat sommigen van hen mede-erfgenamen zullen worden met het volk van Lehi in de zegeningen van het land: “Maar zie, dit land, heeft God gezegd, zal u een erfland zijn, en de aandere volken zullen in het land worden gezegend. (2 Nephi 10:10). Op welke manier zouden de niet-Joden in het land gezegend worden? Door te worden gerekend tot de kinderen van Lehi (denk aan 2 Nephi 1: “this land was made for you and me.”)
“Welnu, mijn geliefde broeders, aldus zegt onze God: Ik zal uw nageslacht door de hand van de andere volken benauwen; niettemin zal Ik het hart van de andere volken verzachten, zodat zij als een vader voor hen zullen zijn; daarom zullen de andere volken worden gezegend en onder het huis Israëls gerekend. Ik zal dit land voor eeuwig wijden aan uw nageslacht, en aan hen die onder uw nageslacht zullen worden gerekend, als hun erfland; want het is een land dat boven alle andere landen verkieslijk is, zegt God tot mij; daarom wil Ik dat alle mensen die erin wonen Mij aanbidden, zegt God. (2 Nephi 10:18-19)
De belofte van de Heer aan het volk van Nephi bij monde van Jakob, wordt steeds weer herhaald en vindt toepassing in zowel die tijd als in de toekomst. Jakob’s toespraak kan in zijn tijd worden gezien als een antwoord op de vraag hoe Lehitisch Israel zich t.o.v. niet-Lehitische volken in het beloofde land moest gedragen. Het antwoord was dat deze – als zij daarvoor kozen – tot Gods volk gerekend zouden kunnen worden en als mede-erfgenamen Zion mochten vestigen. Zij zouden dan tot Israel en tot Lehi’s nakomelingenschap gerekend worden. Sommigen vroegen zich af – als er andere volken waren ten tijde van het Boek van Mormon – waarom deze niet vaker vermeld werden in de kroniek. Het precedent om geen onderscheid te maken tussen de nakomelingen van Lehi en bekeerlingen onder de rest van de bevolking zou van fundamentele betekenis blijken voor de Nepitische natie, het zou de woorden van latere Nephitische profeten beinvloedden, en zou alle volken in het land in uiterste bewoordingen beschrijven zoals Zion/Babylon of Nephieten/Lamanieten. Eerdere culturele indentiteiten zouden daardoor opgaan in een dergelijke algemene benaming.
“De mensen nu die geen Lamanieten waren, waren Nephieten; niettemin werden zij Nephieten, Jakobieten, Jozefieten, Zoramieten, Lamanieten, Lemuëlieten en Ismaëlieten genoemd. Maar ik, Jakob, zal hen voortaan niet door die namen onderscheiden, maar hen die trachten het volk van Nephi te vernietigen, zal ik Lamanieten noemen, en hen die Nephi welgezind zijn, zal ik Nephieten of het volk van Nephi noemen, volgens de regering der koningen.” (Jakob 1:13-14)
Een voorbeeld van een dergelijk proces zien we in het geval van Nephi’s rechtvaardige broer Sam. Lehi geeft Sam een zegen: ” Gezegend zijt gij, en uw nageslacht; want gij zult het land erfelijk bezitten, zoals uw broeder Nephi. En uw nageslacht zal worden gerekend onder zijn nageslacht; en gij zult zoals uw broeder zijn, en uw nageslacht zoals zijn nageslacht; en gij zult in al uw dagen gezegend zijn. (2 Nephi 4:11). Lehi zegent al zijn kinderen maar slechts Sam wordt beloofd dat zijn nageslacht onder dat van Nephi zal worden gerekend. Heel opmerkelijk: als de Lehitische stammen worden vermeld, wordt die van Sam niet vernoemd (Jakob 1:13 ; 4 Nephi 1:35-38). Waarom niet? Waarschijnlijk omdat wanneer men eenmaal onder een ander volk wordt gerekend, men de naam en identiteit van dat volk overneemt. Zo ook de niet-Joden: eenmaal onder Israel of Lehi gerekend, worden ze voortaan onder hun verbondsouders gerekend ongeacht hun biologische afkomst. Voortaan zijn zij gewoon: Israel.
Nephi’s nadruk op de universele aard van God’s liefde krijgt des te meer betekenis omdat het hier gaat over een volk dat te maken heeft met grote etnische en sociale verscheidenheid. “En Hij verwerpt niemand die tot Hem komt, zwarte en blanke, slaaf en vrije, man en vrouw; en Hij is de heidenen indachtig; en allen zijn voor God gelijk, zowel de Joden als de andere volken. (2 Nephi 26:33) De Nephieten zouden normaliter onder “Joden” verstaan: degenen die uit Jeruzalem voortkwamen; de aanvullende vermelding van niet-Joden en heidenen zou er in de ogen van Nephieten op duiden dat er anderen in het land waren.
