2 Nephi 9-11: hij ondergaat de pijn van ieder levend wezen

In dit hoofdstuk komen we voor het eerst in het Boek van Mormon de naam van de Heiland tegen, namelijk : Christus. Zoals we al lazen in eerdere hoofdstukken onderwijst Jakob het volk van Nephi daartoe aangespoord door zijn broer Nephi. Hij onderwijst de grondbeginselen van het geloof: dat Christus in de wereld zou komen, dat Christus al het lijden van de mens op zich zou nemen, dat iedere man en vrouw slechts in en door Gods genade gered kunnen worden – nadat zij zich aan Gods wil onderworpen hebben – en dat de geleerden en rijken dezer wereld moeten worden terechtgewezen vanwege de geleerdheid en rijkdom die zij bezitten, die noch hun ziel noch de armen ten goede komen.

Vanaf hoofdstuk 6 in 2 Nephi doet Jakob het relaas van de lotgevallen van het Joodse volk en verschaft hij nieuwe informatie aan het volk van Nephi aangaande de zaligheid van het mensdom op basis van een openbaring hem gegeven tijdens een nachtelijk bezoek van een engel. Het onderwerp van zijn toespraak is echter het woord van Jesaja,

“En nu, de woorden die ik ga lezen, zijn de woorden die Jesaja met betrekking tot het gehele huis Israëls heeft gesproken; daarom kunnen zij op u worden toegepast, want gij zijt van het huis Israëls. En er zijn vele dingen door Jesaja gesproken die op u kunnen worden toegepast, omdat gij van het huis Israëls zijt.”

Hij spreekt over hun ballingschap in Babylon en over hun terugkeer, en over de zending en kruisiging van de “Heilige Israels”. Het woord Christus komt uit het Griekse Kristos hetgeen ”de gezalfde” betekent. Het is een vertaling uit het Hebreeuws en wordt doorgaans vertaald met Messias. Het woord wordt als titel gebruikt, vandaar de veel gebruikte aanduiding: Christus Jezus, hetgeen betekent: De Gezalfde Jezus.

De Lijdende Dienstknecht

In de hoofdstukken 7 en 8 onderwijst Jakob zijn gehoor direct uit Jesaja (vergelijk met Jesaja 50-52). In hoofdstuk 9 begint hij vervolgens de betekenis van die twee hoofdstukken uit te leggen, maar zijn uitleg kan niet los worden gezien van Jesaja 52-53, ook wel bekend als

“De Lijdende Dienstknecht”. Gedurende hun hele ballingschap, d.w.z. 70 jaar fysiek in

Babylon en meer dan 400 jaar geestelijke ballingschap in eigen land, dachten en schreven de Israelieten uitgebreid over de betekenis van het lijden der rechtvaardigen in Gods heilsplan.

In Jesaja 40-55 wordt herhaaldelijk en aangrijpend beschreven hoe Gods koninkrijk wordt gesticht door Gods Dienaar (die afwisselend Israel of een individueel persoon kan zijn). De ontknoping lezen we in 52:13 – 53:12, De Lijdende Dienstknecht, waar voor Israel’s zonden die haar in ballingschap hielden verzoening tot stand wordt gebracht door het lijden en dood van de Dienaar, waardoor verlossing, overwinning en shalom binnen bereik komen. Alhoewel

Jakob niet direct uit die verzen citeert, is het duidelijk dat hij doelt op het lijden van Christus in de hoofdstukken 9,10 en 11.

In het artikel “Suffering and Salvation, Submission and Subversion, Grounding Nonviolence in 1 Peter”, legt Brandon Rhodes uit dat in dit leven “het Koninkrijk tot stand wordt gebracht d.m.v. het lijden der rechtvaardigen”. Dit verband tussen het lijden van Gods volk en Gods koninkrijk was heel aktueel voor Petrus, als we hem tenminste kunnen zien als een christelijke Jood uit de eerste eeuw. En inderdaad, de “Lijdende Dienstknecht” – vol lijden en hoop – is sterk verwoven met zijn vermaning aan het adres van christelijke slaven in 1 Petrus 2: 18-25 (met name in de verzen 21-24).

De tekst in 1 Petrus over Jesaja’s woorden werpt licht op hoe de lijdende Christus een voorbeeld was voor lijdende huishoudelijke slaven, en voor de lijdende christengemeenschappen tot wie 1 Petrus zich richtte.” Het lijden van Jesaja’s Lijdende Dienaar die betekenis geeft aan christelijk lijden. Om met de schrijver Winn te spreken: “Er is een mystiek verband tussen het lijden van Christenen en het lijden van Christus.” Echter, in het Mormonisme onderwerpt Jezus zich aan de wil der “mensen” (aan hun geweld en veroordeling t.o.v. hem) – zodat alle mensen aan hem onderdanig zullen worden – en deze zich met zijn wil verzoenen (en met zijn vrede en en zijn genade t.o.v. alle mensen).

En Hij komt in de wereld om alle mensen te redden, indien zij naar zijn stem willen luisteren; want zie, Hij doorstaat de pijnen van alle mensen, ja, de pijnen van ieder levend schepsel, van zowel mannen als vrouwen als kinderen, die behoren tot het geslacht van Adam. En Hij doorstaat dit om alle mensen de opstanding deelachtig te laten worden, opdat allen voor Hem zullen staan op die grote dag, de dag des oordeels.

Ja, ik weet dat gij weet dat Hij Zich in het lichaam zal vertonen aan hen die te Jeruzalem zijn, waar wij vandaan zijn gekomen; want het is noodzakelijk dat het onder hen plaatsvindt; want het is nodig dat de grote Schepper toestaat dat Hij in het vlees aan de mens wordt onderworpen, en voor alle mensen sterft, opdat alle mensen aan Hem mogen worden onderworpen.

misverstand over “lijden” in het Mormonisme?

In de Leer en Verbonden Afdeling 19, in een openbaring aan Joseph Smith in maart 1830 te Manchester, New York, legt Jezus uit wat het verband is tussen zijn lijden en het mogelijke lijden van zijn kinderen als deze zich niet bekeren (of onderwerpen aan zijn wil):

“daarom gebied Ik u zich te bekeren — bekeer u, opdat Ik u niet sla met de roede van mijn mond, en met mijn verbolgenheid, en met mijn toorn, en uw lijden hevig zij — hoe hevig weet u niet, hoe intens weet u niet, ja, hoe zwaar te dragen weet u niet. Want zie, Ik, God, heb deze dingen voor allen geleden, opdat zij niet behoeven te lijden als zij zich bekeren; maar als zij zich niet bekeren, moeten zij lijden zoals Ik; welk lijden Mij, ja, God, de grootste van allen, van pijn deed sidderen en uit iedere porie bloeden, en naar lichaam en geest deed lijden — en Ik wilde dat Ik de bittere beker niet behoefde te drinken, en kon terugdeinzen.”

Betekent dit dat volgens het Mormonisme Christus leed opdat wij niet zullen hoeven te lijden op voorwaarde van onze bekering? Nee, deze openbaring suggereert niet dat de rechtvaardigen niet nodeloos zullen lijden als gevolg van de vrije wilsbeschikking van anderen , op de dag des oordeels, in de eeuwigheid, d.w.z. als we ons in dit leven bekeren.

Maar we zondigen als we onze vijanden kwaad berokkenen, wraak nemen op degenen die ons leed aangedaan hebben, als we kwaad met kwaad vergelden; daarmee het voorbeeld van Christus negerend dat hij ons toonde tijdens zijn leven en dood.

Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt;

Maar zie, de rechtvaardigen, de heiligen van de Heilige Israëls, zij die hebben geloofd in de Heilige Israëls, zij die de kruisen van de wereld hebben verdragen en de smaad ervan niet hebben geacht, zij zullen het koninkrijk Gods beerven dat voor hen is bereid vanaf de grondlegging der wereld, en hun vreugde zal voor eeuwig overvloedig zijn.

Alleen de waarheid zal standhouden

O mijn geliefde broeders, neigt uw oor naar mijn woorden. Denkt aan de grootheid van de Heilige Israëls. Zegt niet dat ik harde dingen heb gesproken over u, want indien gij dat doet, beschimpt gij de waarheid; want ik heb de woorden van uw Maker gesproken. Ik weet dat de woorden van de waarheid streng zijn tegen alle onreinheid; maar de rechtvaardigen vrezen ze niet, want zij hebben de waarheid lief en blijven onverwrikt.

Mahatma Gandhi zei over “waarheid”: “Alleen de waarheid zal standhouden, al het andere is onderhevig aan de tand des tijds. Ik moet van de waarheid blijven getuigen ook al blijf ik als enige over die zijn stem durft te verheffen. Uiteindelijk misschien een roepende in de woestijn, maar ze zal nog steeds klinken als alle andere stemmen zijn verstomd, het is de stem der waarheid.”

Gelovige mensen vormen overal ter wereld dikwijls het kader van krachtige en succesvolle bewegingen voor vrede en gerechtigheid. Velen van hen dragen een morele visie uit, daartoe geleid door hun krachtig geloof in God. Mahatma Gandhi was een van hen. Hij noemde zeven maatschappelijke zonden (vergelijk met de schrifttekst direct hieronder uit 2 Nephi 9:27-30):

Welvaart zonder Arbeid – Genot zonder Geweten – Wetenschap zonder Menselijkheid – Kennis zonder Karakter – Politiek zonder Principe – Handel zonder Moraliteit – Aanbidding zonder Opoffering.

Maar wee hem wie de wet is gegeven, ja, die alle geboden Gods heeft, zoals wij, en die ze overtreedt, en die de dagen van zijn proeftijd verspilt, want zijn toestand is verschrikkelijk! O, dat geslepen plan van de boze! O, de zelfingenomenheid en de zwakheden en de dwaasheid der mensen! Wanneer zij geleerd zijn, menen zij wijs te zijn en luisteren zij niet naar de raad Gods, want zij schuiven die opzij in de veronderstelling het zelf wel te weten; daarom is hun wijsheid dwaasheid en hun van geen nut. En zij zullen verloren gaan.

Maar geleerd zijn is goed indien zij naar de raadgevingen Gods luisteren. Maar wee de rijken die rijk zijn met betrekking tot de dingen der wereld; want omdat zij rijk zijn, verachten zij de armen en vervolgen zij de zachtmoedigen, en is hun hart op hun schatten gesteld; daarom is hun schat hun god. En zie, hun schat zal ook met hen vergaan.